Want aan ieder die heeft, zal gegeven worden en wel overvloedig. Maar aan degene die niet heeft, zal zelfs nog ontnomen worden wat hij heeft. Matteüs 25, 21[1]

ikoon evangelist Mattheus

Ook Matteüs was maker en LIRA lid avant-la-lettre

Sinds 1 juli is het dan zover: makers (van werken in auteursrechtelijke zin) hebben wettelijk recht op een billijke vergoeding. De economische effecten van het Auteurscontractenrecht hebben begrijpelijkerwijze nog niet veel aandacht gehad: zij zullen nog moeten blijken. Toch durf ik de ongetwijfeld boude stelling, dat de gemiddelde maker in het geheel niet gebaat is bij de billijke vergoeding, wel aan. Sterker nog: de rijken worden rijker en de armen hebben nog steeds het nakijken.

De billijke vergoeding is verschuldigd indien sprake is van exploitatieovereenkomsten. Daarmee is ook het ijkpunt van de billijkheid gegeven: exploitatie. Dat ijkpunt blijkt uit nog veel meer. Een aanvullende billijke vergoeding is verschuldigd als de overeengekomen vergoeding een ernstige onevenredigheid vertoont in verhouding tot de opbrengst van de exploitatie van het betreffende werk. Tijdens de parlementaire behandeling ging het voortdurend over het inkomen van de makers. Tijdens het Symposium Auteurscontractenrecht op 3 september jl. te Amsterdam heeft de LIRA, belangenbehartiger van onder meer filmscenarioschrijvers, er ook nog maar eens op gewezen: tachtig procent van de scenarioschrijvers verdient EUR 20.000 per jaar of minder. En met het Auteurscontractenrecht zou het allemaal beter worden. Er is dan ook – in mijn burgerrechtelijke ogen – niet zozeer sprake van auteurscontractenrecht als wel van auteursvergoedingenrecht. Het auteursrecht als instrument van inkomenspolitiek.

De wijze woorden van Dirk Visser[2] zijn niet ter harte genomen, of wellicht niet eens doorgedrongen. Er zijn te veel makers, iedereen wil maker zijn. Als ik morgen mijn toga aan de wilgen hang en besluit scenarioschrijver te worden (en waarom niet) gaat het gemiddelde inkomen van scenarioschrijvers subiet flink omlaag.

Makers miskennen dat het inkomen van makers van auteursrechtelijke werken wordt bepaald door de vraag naar hun werken. Schrijf je een leuk niemendalletje waar in een paar weken een paar honderdduizend mensen voor naar de bioscoop gaan, dan krijg je goed betaald. Schrijf je een goed, doorwrocht verhaal met verschillende lagen over een miskende misstand in de maatschappij, waar slechts enkele duizenden mensen op af komen, dan is de beloning navenant.

In de film- (en televisie-)wereld is nu een proportionele billijke vergoeding verschuldigd voor het uitzenden van filmwerken[3] en er is een convenant op grond waarvan een vergoeding betaald wordt voor video-on-demand. Oh, wat billijk!

Maar het filmwerk van die maker waar honderdduizenden mensen heen gaan is nu juist het filmwerk dat ook zal worden uitgezonden op prime-time en dat zeker zal worden opgevraagd via video-on-demand en zelfs nog dvd’s zal verkopen. Dat andere filmwerk, dat prachtige drama over die maatschappelijke misstand zal niet, althans weinig, worden gedownload, als het al wordt uitgezonden, gebeurt dat zondagavond na middernacht en dvd’s worden er echt niet van verkocht, als ze al gemaakt zouden worden.

Dus wie krijgt nu (extra) geld op grond van de nieuwe regeling? Juist: de al succesvolle maker. De maker die toch al goed voor zijn werk werd betaald, de maker die behoort tot die twintig procent die LIRA noemde die wel meer dan EUR 20.000 per jaar verdient.

Al met al een prachtig voorbeeld, niet alleen van het adagium “the rich get richer and the poor get poorer”, maar ook van de uitspraak van de Amerikaanse president Harrison: “all the measures of the government are directed to the purpose of making the rich richer and the poor poorer”.[4] Het wordt in de sociologie aangeduid als het Matteüseffect: aan hem die heeft zal (overvloedig) gegeven worden, van hem die niets heeft zal nog worden afgenomen.

[1] Willibrordvertaling, ontleend aan www.willibrordbijbel.nl
[2] D.J.G. Visser, Alle auteurs krijgen recht op een ‘billijke vergoeding’, Nederlands Juristenblad 2011, pp. 2017 – 2021
[3] artikel 45d lid 2 Aw
[4] uitspraak van William Henry Harrison, negende President van de VS (1841), in een speech op 1 oktober 1840, ontleend aan https://en.wikipedia.org/wiki/The_rich_get_richer_and_the_poor_get_poorer

Bron foto: http://www.bijbelhuiszevenkerken.be/publicaties/matteu%C3%BCs-leerhuismap

 

Over Roland Wigman

Roland WigmanRoland is in Nederland de advocaat die het meeste weet van film en van al de contracten (ook ondernemingsrechtelijke) en financieringen die daarbij horen. Hij is dé expert op het gebied van filmauteursrecht.

Die kennis gebruikt hij voor de talloze films waarvoor hij als jurist betrokken is bij het produceren, uitbrengen of in orde maken van de financiering. Nationaal maar ook internationaal.

Zijn benadering is praktisch: afkomstig uit de praktijk van het film maken, weet hij hoofd- en bijzaken te scheiden. Roland vindt oplossingen in schijnbaar uitzichtloze situaties.

Roland heeft gedoceerd aan PAO Utrecht en PAO Leiden en doceert recht aan de Hogeschool voor de Kunsten Amsterdam (Nederlandse Film & Televisieacademie) en is bestuurslid van de stichting Nature for Kids en voorzitter van de stichting Rutger Hauer Filmfactory.

Alle artikelen van Roland Wigman