In het kader van mijn dagelijkse werkzaamheden las ik het arrest van de Hoge Raad van 20 april 2007 in de zaak eiser/ EO e.a. (ECLI:NL:HR:2007:AZ8169) nog eens na, evenals de daarbij behorende conclusie van advocaat-generaal Huydecoper. Huydecoper wijdde enige beschouwingen aan artikel 45d Aw die volgens mij niet de aandacht hebben gekregen die zij verdienen. Vandaar deze notitie.

In de betreffende zaak ging het om een eiser die de oorspronkelijke teksten bij Engelstalige tekenfilmseries bewerkte en vertaalde, Eiser had dan ook het auteursrecht op die Nederlandse vertalingen en bewerkingen (hierna ‘vertalingen’). Eiser maakte deze vertalingen in opdracht van de producent of de (Nederlandse) distributeur. De overeenkomsten die eiser gebruikte bepaalde (in wisselende bewoordingen) dat de producent/ distributeur de exclusieve exploitatierechten verkreeg voor het Nederlandse taalgebied, maar dat het auteursrecht door eiser werd voorbehouden. Op grond van dit voorbehoud wenste eiser vervolgens bij uitzending van de tekenfilmseries een nadere vergoeding van de omroep die de serie uitzond. Een dubbelzinnige bepaling aldus AG Huydecoper: met de ene hand geven (exclusieve exploitatiebevoegdheden) en met de andere hand terugnemen (het auteursrecht).

Huydecoper stelt (overweging 13) – geparafraseerd – dat art. 45d Aw. er (ook) toe strekt om te zorgen dat bij de exploitatie van een filmwerk geen rekening hoeft te worden gehouden met de rechten van degene(n) die de nasynchronisatie van de teksten heeft (hebben) verzorgd.
Huydecoper merkt nog op het vermoeden van overdracht nu juist aan de producent het recht tot nasynchronisatie geeft. Dat geeft weer een argument, aldus Huydecoper, om die nasynchronisatie nu juist niet onder het vermoeden van artikel 45d Aw. te laten vallen.

Het is echter een interessante vraag: vallen de rechten van degene die de vertaling van de oorspronkelijke dialogen ten behoeve van de nasynchronisatie heeft geleverd en de rechten van de stemacteurs die die teksten inspreken onder het vermoeden van overdracht?
Er voor pleit dat het bijdragen zijn aan de film die “daartoe bestemd” zijn en van “scheppend karakter”. Er zijn echter, in mijn visie, tenminste twee beren op de weg: – (i) de bijdrage wordt geleverd nadat de film reeds vertoningsgereed is (zij het in een andere taal), – (ii) de bijdrage wordt niet aan de producent geleverd, maar veelal aan de distributeur.

Om met dat tweede punt te beginnen: dat lijkt mij niet in de weg staan van toepasselijkheid van art. 45d. Immers 45d schrijft niet voor dat de bijdrage geleverd dient te worden aan de producent, al dan niet op grond van overeenkomst: er is geen andere eis dan het zijn van een voor de film bestemde bijdrage van scheppend karakter.
In de Berner Conventie wordt weliswaar in artikel 14bis lid 2 sub b verlangd dat de auteur zich “verbonden heeft” tot het leveren van de prestatie, maar er is geen regel die verlangt dat dat verbinden moet zijn geschied met de producent. (Ook is niet vereist dat dat “verbinden” schriftelijk moet zijn vastgelegd. Art. 14bis lid 2 sub c BC laat dat over aan de landen van de Unie.) In de zaak Luksan/ van der Let heeft AG Trstenjak in haar conclusie (in § 124) weliswaar geschreven dat de bijdrage zou moeten worden geleverd op grond van een overeenkomst tussen producent en maker (in dat geval de regisseur), maar het Hof heeft daaraan geen overwegingen gewijd.

In Casting Company/ VPRO ging het ook niet om figuranten die zich jegens de producent hadden verbonden, zij hadden zich juist jegens het castingbureau verbonden dat zich op zijn beurt weer jegens de producent had verbonden. De vordering van de figuranten liep spaak omdat de van art 45d afwijkende regeling die zij hadden getroffen nu juist niet met de producent was getroffen.

Betekent dit dan dat de bijdragen (vertaling en stemacteurs) ten behoeve van de Nederlandse nasynchronisatie van, bijv. Hoe tem je een draak 2, in weerwil van welke afspraak ook tussen die makers en hun opdrachtgever de distributeur aan de (Amerikaanse) producent toekomen? (Daargelaten mogelijke vragen van internationaal privaatrechtelijke aard over de toepasselijkheid van de Nederlandse auteurswet op dit geval.)

Met betrekking tot de eerste gesignaleerde beer op de weg het volgende. Is een werk ooit voltooid? Misschien wel niet, niet voor niets geeft artikel 25 lid 4 Aw. een maker het recht om in een werk (zelfs nadat hij het auteursrecht daarop heeft overgedragen) wijzigingen te blijven aanbrengen.

Kan van een werk, een film, meer dan één voltooide versie bestaan? Ja, natuurlijk, denk maar aan de director’s cut en aan de producer’s cut die naast elkaar kunnen bestaan (en ook worden geëxploiteerd). Zo kunnen ook een originele versie en een Nederlandstalige versie naast elkaar bestaan en moet, mijns inziens, de Nederlandstalige versie als een apart werk worden beschouwd dat eerst vertoningsgereed werd toen de nasynchronisatie was voltooid.

Komt wel meteen de vraag op wie dan de producent van de Nederlandstalige versie is? Misschien toch de distributeur die investeert in de nasynchronisatie en de makers daarvan engageert?

Over Roland Wigman

Roland WigmanRoland is in Nederland de advocaat die het meeste weet van film en van al de contracten (ook ondernemingsrechtelijke) en financieringen die daarbij horen. Hij is dé expert op het gebied van filmauteursrecht.

Die kennis gebruikt hij voor de talloze films waarvoor hij als jurist betrokken is bij het produceren, uitbrengen of in orde maken van de financiering. Nationaal maar ook internationaal.

Zijn benadering is praktisch: afkomstig uit de praktijk van het film maken, weet hij hoofd- en bijzaken te scheiden. Roland vindt oplossingen in schijnbaar uitzichtloze situaties.

Roland heeft gedoceerd aan PAO Utrecht en PAO Leiden en doceert recht aan de Hogeschool voor de Kunsten Amsterdam (Nederlandse Film & Televisieacademie) en is bestuurslid van de stichting Nature for Kids en voorzitter van de stichting Rutger Hauer Filmfactory.

Alle artikelen van Roland Wigman