Inleiding

Je geeft een feestje en laat het de buren weten en vraagt of ze niet willen klagen als de muziek om 01.00 uur nog wat hard staat. De buren zeggen dat toe. Niets aan de hand. Je vraagt aan je buren om op voorhand toe te zeggen dat ze bij al jouw toekomstige feestjes niet zullen klagen over geluidsoverlast. Dat is al anders. En wat als er sprake is van een ‘quid pro quo’ of als de verhoudingen niet helemaal gelijk zijn. De bovenburen willen heel graag een parketvloer en je zegt daar geen problemen mee te hebben, mits de buren nooit zullen klagen over jouw feestjes …?

Kan je en mag je met een andere partij afspreken dat die geen beroep zal doen op een aan die partij toekomend recht? En waarom niet zou ik denken: wij kennen contractsvrijheid, grosso modo slechts begrensd door de wet, de openbare orde en de goede zeden.

In het auteursrecht zie ik wel zulke onthoudingsbedingen, met name met betrekking tot de uitoefening van eventuele persoonlijkheidsrechten. Die rechten zijn niet overdraagbaar en daarvan kan (deels) geen afstand worden gedaan. Dan kom je toch overeen dat de maker er geen beroep op zal doen? Ik heb ze zelf ook geformuleerd en vind zo een bepaling in ieder geval rechtstheoretisch door de beugel kunnen. Maar, zo is mij wel tegengeworpen, als de wet bescherming geeft, een zelfs zo ver gaande bescherming dat een bepaald recht niet overdraagbaar is en er geen afstand van kan worden gedaan, dan is het toch in strijd met de bedoeling van het recht als je de ander laat toezeggen dat hij geen beroep zal doen op zijn rechten? Ik denk eerlijk gezegd dat die redenering onder bepaalde omstandigheden steek houdt, terwijl ik ook meen dat onder bepaalde (andere) omstandigheden zo een onthoudingsverklaring wel moet kunnen. Indien bijvoorbeeld sprake is van een aanzienlijke financiële investering in het realiseren van iemands werk (denk aan een film naar een scenario), wil je als financier of producent niet, nadat je miljoenen hebt uitgegeven, geconfronteerd worden met een rechtszaak waarin de scenarioschrijver een beroep doet op persoonlijkheidsrechten, omdat hem het eindproduct anders voor ogen had gestaan.

theorie en jurisprudentie

Onthoudingsbedingen komen in de praktijk voor. In veel variaties, van ‘jij zal je niet bemoeien met de schoolkeuze van de kinderen’ (tussen gescheiden ouders) tot het afzien van publiekrechtelijk bezwaar tegen betaling van een vergoeding.

Zoals gezegd, wil ik ze ook zelf soms opnemen in auteursrechtelijke exploitatiecontracten. De maker dient dan toe te zeggen zich te zullen onthouden van een beroep op zijn persoonlijkheidsrechten als het eindproduct dat de wederpartij van de maker gaat maken hem niet bevalt. Ik hecht daar belang aan in gevallen waarin vele miljoenen euro’s zijn gemoeid met het maken van het product, zoals een speelfilm. En, indachtig de recente uitspraken in geschillen tussen gebouweigenaren en (oorspronkelijke) architecten bij verbouwingen, zou ik me zulke bedingen ook goed kunnen voorstellen bij overeenkomsten met architecten voor nieuwe bouwwerken.

In transacties inzake onroerende zaken vinden we regelmatig onthoudingsbedingen. In de afgelopen jaren heeft dat in (zeker) drie gevallen geleid tot rechterlijke uitspraken. Ik doel op de onthoudingsbedingen die het onderwerp waren van de procedures beslecht door het Hof Amsterdam (arrest van 16 augustus 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BC1167, NJF 2008,1), Rechtbank Den Haag (vonnis van 14 november 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BY3453, Prg. 2013/40) en het Hof ‘s-Hertogenbosch (arrest van 9 mei 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:2096). Daarover later meer.

Het speelveld waarbinnen iemand kan worden afgehouden van iets wat tot zijn vrije beschikking staat, wordt begrensd door goede zeden, openbare orde en de horizontale werking van grondrechten. Tegenover de vrijheid van contracteren staan bijvoorbeeld de vrijheid van godsdienst, de vrijheid van onderwijs, of het recht op toegang tot de rechter. Soms wordt een grondrecht zo belangrijk geoordeeld dat de aantasting daarvan als in strijd met de openbare orde wordt gezien, een enkele keer is alleen de vérgaande beperking van het grondrecht in strijd met de openbare orde. Het is de aan ons juristen bekende afweging van belangen onder de gegeven omstandigheden van het geval.

In 2007 oordeelde het Hof Amsterdam over een beding waarbij een verkoper van een huis met grond (die zelf een naast gelegen perceel behield) zich verplichtte om geen bezwaar te maken tegen eventuele bouwplannen. Het beding luidde:

“Verkoper, en zijn zoon, de heer Jeroen de Wilde en zijn schoondochter, mevrouw Sophia Oderada Cornelia Entius dan wel hun rechtverkrijgende in de eigendom van (…) verbinden zich om direct of indirect geen zienswijzen, bedenkingen, bezwaren/beroepen in te dienen/te maken tegen de door koper of diens rechtverkrijgenden in de eigendom van het verkochte voorgenomen plannen en bouwaanvra(a)g(en) ten aanzien van de realisatie van bedrijfsgebouwen op het verkochte of tegen wenselijk geachte wijzigingen daarvan — voor zover deze betrekking (zullen) hebben dan wel van invloed (zullen/kunnen) zijn op de ontwikkeling en uitvoering van de plannen en zullen nimmer enige planschadevergoedingen en nadeelcompensatie en enige andere vergoeding in samenhang met de door koper of diens rechtverkrijgenden in de eigendom van het verkochte eventueel beoogde bestemmingswijziging indienen. Dit beding (…) alsmede dit ketting- en boetebeding zullen bij elke eigendomsoverdracht (…) aan de nieuwe verkrijger casu quo gebruiker in eigendom en/of zakelijk en/of persoonlijk genotsrecht moeten worden opgelegd, ten behoeve van de eigenaar van het verkochte moeten worden bedongen en aangenomen en in elke verdere akte van eigendomsoverdracht en/of vestiging van een zakelijk en/of persoonlijk genotsrecht woordelijk worden overgenomen, zulks op verbeurte (…)”

Het Hof stelde vast:

“Het beding voorziet er niet alleen in om in de relatie tussen de partijen bij de onder 4.1.1 genoemde koopovereenkomst, Smit en De Wilde, vast te leggen dat De Wilde op geen enkele wijze (waaronder in rechte) kan opkomen tegen de — in het beding bedoelde — bouw- en ontwikkelingsplannen van Smit met betrekking tot het perceel, maar schrijft tevens voor dat De Wilde deze beperking bij wijze van kettingbeding moet doorgeven aan al zijn rechtsopvolgers (en het door dezen moet laten doorgeven aan hun rechtsopvolgers) als eigenaar van het woonhuis en het aangrenzende ongenummerde perceel, zodat (ook) derden deze het woonhuis en het ongenummerde perceel achter Zuiderweg Oost 6 en 7 te Twisk niet zullen kunnen verkrijgen zonder bij voorbaat afstand te doen van de in het beding genoemde rechten. Daarmee strekt het beding ertoe om derden de toegang tot rechtsbescherming op grond van — in het bijzonder — de hoofdstukken 6, 7 en 8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), alsmede iedere verdere rechtsbescherming, te ontzeggen met betrekking tot de bouw- en ontwikkelingsplannen van Smit en diens rechtsopvolgers als eigenaar van het perceel. Dit moet om de volgende redenen ontoelaatbaar worden geacht.

 In art. 17 van de Grondwet is bepaald dat niemand tegen zijn wil kan worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent. Op grond van art. 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en art. 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (BUPO) heeft een ieder bovendien recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. Het betreft hier fundamentele rechtsbeginselen die ertoe strekken de rechtsbescherming van burgers te waarborgen, en die niet — ongelimiteerd — aan willekeurige opvolgende verkrijgers van het woonhuis kunnen worden ontzegd op de wijze voorzien in het beding. Bepalend hierbij is dat de beperking van de toegang tot rechtsbescherming, die praktisch neerkomt op een ontzegging daarvan, in het beding volstrekt algemeen en onbepaald is geformuleerd, zowel gemeten naar degenen die het beding bedoelt te raken (alle opvolgende verkrijgers van het woonhuis) als gemeten naar de aan dezen ontzegde (mogelijke) handelingen teneinde hun rechten te waarborgen, waardoor het beding zeer verstrekkend en met de zojuist bedoelde rechtsbeginselen onverenigbaar is. Dit alles klemt te meer, nu daarenboven de bouw- en ontwikkelingsplannen van Smit in het beding slechts vagelijk zijn omschreven en het beding bovendien bepaalt dat in die plannen nog ‘wenselijk geachte wijzigingen’, die niet nader zijn omschreven, kunnen worden aangebracht, waardoor de reikwijdte van de beperkingen door het beding en daarmee de consequenties van het prijsgeven van rechtsbescherming op voorhand moeilijk te overzien zijn en nog worden vergroot.”

Het Hof oordeelt dat een beding als het gewraakte wel kan, maar dat het niet kan om aan willekeurige rechtsopvolgers ongelimiteerd bepaalde rechten te ontzeggen. En al helemaal niet als ook niet (voldoende) duidelijk is ten aanzien van welke handelingen aan hen hun rechten worden ontzegd.

De rechtbank Den Haag diende in 2012 te oordelen over het geval waarbij de verkoper van een perceel grond verklaarde geen bezwaar te zullen maken tegen toekomstige uitbreiding van de onderneming van de koper (verkoper bleef kennelijk buurman). Ook in dit geval was sprake van een kwalitatieve verplichting die mede moest worden opgelegd aan alle rechtsopvolgers van verkoper. Onder verwijzing naar het arrest van het Hof in Amsterdam oordeelde de rechtbank dat het opleggen van de verplichting aan rechtsopvolgers te ver ging en vanwege strijd met art. 17 Grondwet, art. 6 EVRM en art. 14 BUPO dus nietig was op grond van art. 3:40 lid 1 BW, te meer nu er geen “ook maar enigermate geconcretiseerd plan voor zo’n uitbreiding voor ligt“.

In het hiervoor ook al genoemde arrest van het Hof Den Bosch van 9 mei van dit jaar ging het om een beding waarbij de koper van een woonboerderij jegens de verkoper (die onder andere ook een naastgelegen pand in eigendom had) zich verplichte om in of buiten rechte geen bezwaar of beroep aan te tekenen tegen de uitoefening van een onderneming in welke vorm dan ook in dat naastgelegen pand, dan wel om bezwaar te maken tegen bewoning van dat pand. Het beding was opgenomen als een kwalitatieve verplichting en gold dus ook voor rechtsopvolgers onder algemene en bijzondere titel en gold voor een periode van vijfentwintig jaar. De rechtbank oordeelde het beding in strijd met de goede zeden/ openbare orde en dus nietig (art. 3:40 lid 1 BW). De rechtbank struikelde vooral over het opleggen van het beding aan rechtsopvolgers:

“Het gewraakte beding voorziet er niet alleen in om tussen partijen vast te leggen dat [geïntimeerde 1] niet door het maken van bezwaar en beroep op kan komen tegen het uitoefenen van een bedrijf/onderneming in, en/of het bewonen van, het nabijgelegen pand [adres 3] , maar bepaalt ook dat die restricties bij wijze van kettingbeding door [geïntimeerde 1] moeten worden doorgegeven aan zijn rechtsopvolgers (en dat die rechtsopvolgers dat ook moeten doen jegens hun rechtsopvolgers). Daardoor zullen die derden het pand [adres 1] niet kunnen verkrijgen zonder bij voorbaat afstand te doen van voormelde rechten. Daarmee strekt dit beding ertoe om ook derden af te houden van de toegang tot rechtsbescherming op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tegen de plannen van [appellant] (en zijn rechtsopvolgers) met het pand [adres 3] . Dit moet – mede in aanmerking genomen het arrest van Hof Amsterdam van 16 augustus 2007, BR 2008, 59 – onaanvaardbaar worden geacht wegens strijd met fundamentele rechtsbeginselen zoals vervat in artikel 17 Grondwet, artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 14 van het Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (Bupo-verdrag). Dat de werking van het beding in tijd is begrensd (25 jaar) doet daar niet aan af. Het beding verplicht derhalve tot een prestatie die onverenigbaar is met de in de Nederlandse rechtsorde verankerde fundamentele rechtsbeginselen en komt daardoor in strijd met de openbare orde, zodat het beding ex artikel 3:40 lid 1 BW nietig is.”

Het Hof liet dit oordeel in stand. Over de grief dat de rechtbank ten onrechte oordeelt dat het beding per definitie in strijd is met de openbare orde, zegt het Hof dat de rechtbank dat nu juist niet heeft gezegd. Juist het feit dat niet alleen de wederpartij bij de overeenkomst maar ook alle rechtsopvolgers worden afgehouden van rechtsbescherming, maakt dit beding in strijd met het fundamentele recht op toegang tot de rechter en daarmee in strijd met de openbare orde. Het Hof zegt nog maar eens:

Daarmee is niet gezegd dat het beding per definitie in strijd is met de openbare orde.

Het Hof Amsterdam[1] had in 2000 geen problemen met een beding waarbij een lid van een familie toezegde een contact en straatverbod in acht te zullen nemen (op straffe van een boete van € 20.000 per overtreding) tegen uitkering van een voorschot op het erfdeel in de nalatenschap van de vader van de betrokkene. Volgens het Hof was er sprake van een vrijwillig aangegane overeenkomst en geen sprake van gedwongen vrijheidsbeneming. Het beroep op nietigheid wegens strijd met artikel 5 EVRM werd dan ook gepasseerd.

En de rechtbank te Almelo[2] had in 2009 geen problemen met een overeenkomst waarbij een partij toezegde het ingediende bezwaar tegen een bouwvergunning in te zullen trekken tegen betaling van € 70.000.  Volgens de rechtbank is het “behoudens misbruik van omstandigheden, niet onrechtmatig om tegen betaling af te zien van gebruikmaking van een bestuursrechtelijk recht, (…)” (r.o. 5.1).

conclusie

Een onthoudingsbeding, een beding in een overeenkomst waarin een partij toezegt om bepaalde haar toekomende rechten jegens de andere partij niet uit te oefenen, is in beginsel mogelijk. Er zijn echter een aantal randvoorwaarden:

– het beding geldt alleen tussen partijen en mag niet worden opgelegd aan rechtsopvolgers (mogelijk is één, reeds bekende identificeerbare rechtsopvolger, bijvoorbeeld een erfgenaam, wel mogelijk – ik zou in zo een geval zeggen: laat die toekomstige rechtsopvolger al als partij bij de overeenkomst mee tekenen);

– de handelingen (of de zaak, c.q. het recht) met betrekking tot welke de partij zich moet onthouden van haar rechten dienen duidelijk en gespecificeerd omschreven te zijn;

– een sanctie zoals een boete bij niet nakoming is mogelijk, maar de boete moet in verhouding staan tot het belang dat wordt gediend.

Voorts zal de rechter, als het beding hem wordt voorgelegd, ook alle overige omstandigheden meewegen, waaronder de machtsverhouding tussen partijen, de ernst van de beperking van het recht en de wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen (zie Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III* 2014, nr. 62).

 

[1] Hof Amsterdam 7 december 2000, ECLI:NL:GHAMS:2000:AJ0831, Prg. 2002, 5937

[2] Rechtbank Almelo, 9 december 2009, ECLI:NL:RBALM:2009:BK9131

Over Roland Wigman

Roland WigmanRoland is in Nederland de advocaat die het meeste weet van film en van al de contracten (ook ondernemingsrechtelijke) en financieringen die daarbij horen. Hij is dé expert op het gebied van filmauteursrecht.

Die kennis gebruikt hij voor de talloze films waarvoor hij als jurist betrokken is bij het produceren, uitbrengen of in orde maken van de financiering. Nationaal maar ook internationaal.

Zijn benadering is praktisch: afkomstig uit de praktijk van het film maken, weet hij hoofd- en bijzaken te scheiden. Roland vindt oplossingen in schijnbaar uitzichtloze situaties.

Roland heeft gedoceerd aan PAO Utrecht en PAO Leiden en doceert recht aan de Hogeschool voor de Kunsten Amsterdam (Nederlandse Film & Televisieacademie) en is bestuurslid van de stichting Nature for Kids en voorzitter van de stichting Rutger Hauer Filmfactory.

Alle artikelen van Roland Wigman