Natuurlijk ben ik als advocaat van vele actoren in de filmindustrie begaan met de problematiek van het illegaal downloaden en de grote verliezen die alle partijen in de filmindustrie daardoor lijden. Toch was ik terughoudend toen ik hoorde dat filmproducenten de Nederlandse Staat aansprakelijk zouden stellen. Ten principale meen ik namelijk dat het niet een taak van de overheid is om civiel recht te handhaven.[1]

Omstreeks diezelfde tijd verscheen een blog van de Engelse IE-jurist Anderson onder de titel “What is copyright for?”.[2] In deze blog beschrijft Anderson dat (onder meer) het auteursrecht een economisch actief is en niet dient ter bescherming van de maker. De persoonlijkheidsrechten zijn in zijn visie bij uitstek aangewezen om de maker te beschermen waar het zijn artistieke integriteit betreft. Hij verzet zich tegen interventie door de overheid (zoals voorlichtingsprogramma’s aan schoolkinderen), inclusief het strafbaar stellen van inbreuken op het auteursrecht. Hij meent dat de taak van de overheid beperkt is tot het (goedkoop en gemakkelijk) mogelijk maken van civielrechtelijke handhaving.

Andersons mening is duidelijk gegrond in de Engelse copyrighttraditie. Ik las het met belangstelling en (deels) instemmend. Er is ook in mijn visie geen taak voor de overheid om civielrecht te handhaven. Het is de taak van de overheid als wetgever om hanteerbare en handhaafbare wetgeving te introduceren en zorg te dragen voor een kwalitatief goede en gemakkelijk toegankelijke rechtspraak. Het is aan de burger om zijn eigen verantwoordelijkheid te nemen en desgewenst zijn rechten te handhaven. Dat noem ik de scheiding der taken.

Ik legde mijn pen neer en bedacht: zo (pauze) dat staat. Vervolgens dwaalden mijn gedachten verder af naar de strafrechtelijke handhaving en verscheen plots het bekende blauwe bordje “Verboden Toegang art. 461 WvSr” in beeld.verboden toegang

Ik heb nooit de moeite genomen om de tekst van artikel 461 Sr. op te zoeken. Dat heb ik nu maar eens gedaan: ‘Hij die, zonder daartoe gerechtigd te zijn, zich op eens anders grond waarvan de toegang op een voor hem blijkbare wijze door de rechthebbende is verboden, bevindt of daar vee laat lopen, wordt gestraft met geldboete van de eerste categorie.’ Een strafrechtelijke boete voor het betreden van andermans erf: bij uitstek een voorbeeld van strafrechtelijke handhaving door de overheid van civiel recht. Er zijn nog talloos veel meer voorbeelden van strafrechtelijke handhaving van individuele vermogensrechten. En niet alleen in het IE-recht. Is niet ook het optreden tegen diefstal de strafrechtelijke handhaving van het civiele eigendomsrecht? Toch nog maar eens verder na- en doordenken.

In mijn boekenkast bevindt zich gelukkig de dissertatie van Van Anken[3] die onder andere gewijd is aan de grondslag voor de strafrechtelijke handhaving van het auteursrecht. van Anken ziet een rechtvaardiging voor de strafrechtelijke handhaving in het preventieve karakter daarvan: preventie die niet zou uitgaan van civielrechtelijke handhaving. Een en ander met name vanwege de geringe publiciteit die civielrechtelijke handhaving met zich meebrengt. Van Anken’s dissertatie is natuurlijk wel uit 1962: vóór internet, Twitter, Facebook, etc. Alhoewel Van Anken uitgebreid grondslag en ratio van de strafrechtelijke handhaving van IE-rechten bespreekt, trekt hij het enkele feit van de strafrechtelijke strafbaarheid niet in twijfel.

Nog redelijk recent – zeker gezien in de historie van het auteursrecht – zijn de strafrechtelijke bepalingen aan de orde geweest in het parlement. In 1984, 1989 en 1999 zijn de strafrechtelijke bepalingen in de Auteurswet nog herzien.[4]

In 1984 rechtvaardigde de wetgever de strafrechtelijke handhaving met (louter) een beroep op de eerder genoemde generaal preventieve werking: ‘De ontduiking van het auteursrecht kan soms financieel zeer aanlokkelijk zijn. De beschikbaarheid van adequate vermogenssancties kan een zekere generaal preventieve werking hebben.’[5]

In 1989 is het niet alleen de preventieve werking die de (aanpassing) van de strafbepalingen rechtvaardigt. Ook de bescherming van de economie speelt nu een rol: ‘Een effectievere bestrijding van piraterij, hetgeen met het onderhavige wetsvoorstel wordt beoogd, en derhalve een betere bescherming van auteursrechtelijk beschermde werken komen ten goede aan de economische positie van de bedrijven die dergelijke werken produceren en verhandelen en van de auteursrechthebbenden. De investeringsgeneigdheid van op dit terrein werkzame bedrijven zal toenemen als hun producten door het auteursrecht beter beschermd worden tegen illegale verveelvoudigingen. Ook de rentabiliteit zal toenemen indien de mogelijkheid van piraterij door derden afneemt. Het illegale verveelvoudigen zal minder aantrekkelijk zijn indien de piraat weet dat er hoge strafsancties mogelijk zijn (…)’.[6] Kennelijk zag de wetgever de bui in 1989 al hangen: opgemerkt wordt dat het strafrecht bij de handhaving van het auteursrecht een ‘ultimum remedium’ is.

In 1999 wordt de wet aangepast aan de Europese piraterijverordening. Later is daar de Handhavingsrichtlijn voor gekomen.[7] De Handhavingsrichtlijn gaat over civielrechtelijke en bestuursrechtelijke maatregelen voor de handhaving van IE-rechten. De Europese wetgever overweegt (overweging 28): ‘(…) in bepaalde gevallen [zijn] ook strafrechtelijke sancties een middel om intellectuele eigendomsrechten te handhaven.’ Laat de Europese wetgever nog de mogelijkheid open om IE-rechten niet strafrechtelijk te handhaven, het TRIPS verdrag gaat een stap verder. In dit verdrag wordt aan de ondertekenaars de verplichting opgelegd om in gevallen van opzettelijke commerciële inbreuk op IE-rechten strafrechtelijk op te treden (artikel 61 TRIPS). Het doel is afschrikking.

Enfin, nagedacht en doorgedacht: ik blijf bij mijn aanvankelijke oordeel dat ik de strafrechtelijke handhaving van het auteursrecht ten principale onjuist vind. Ik realiseer me dat ik mijzelf daarmee in een spagaat zet: aan het strafbaar stellen van en optreden tegen diefstal wil ik niets afdoen.

Maar wetgever, als je het strafbaar stelt en als er zoveel maatschappelijke onrust is over bijvoorbeeld illegaal downloaden van muziek en films – en die onrust is er – neem dan je verantwoordelijkheid en handhaaf! Doe je dat niet, dan verliest de burger – in ieder geval deze burger – (weer een beetje meer) het vertrouwen in de overheid.

[1] De aansprakelijkstelling van de Staat door de Vereniging van Professionele Speelfilm Ondernemers is overigens niet gebaseerd op het niet (strafrechtelijk) handhaven van het auteursrecht, maar – zo begrijp ik – op het niet beschikbaar stellen van het juiste instrumentarium om civielrechtelijk te kunnen handhaven.

[2] M. Anderson, What is intellectual property for?, IP Draughts, https://ipdraughts.wordpress.com/

[3] J. van Anken, De strafrechtelijke bescherming van de rechten van de scheppende mens in de Benelux-landen (diss. Leiden), 1962.

[4] Wet van 10 maart 1984, Stb. 91; Wet van 3 juli 1989, Stb. 282 en Wet van 25 februari 1999, Stb. 110.

[5] Kamerstukken II 1981/82, 17524, 1-4, p. 40

[6] Kamerstukken II 1988/89, 19921, 3, p. 3

[7] Richtlijn 2004/48/EG

Over Roland Wigman

Roland WigmanRoland is in Nederland de advocaat die het meeste weet van film en van al de contracten (ook ondernemingsrechtelijke) en financieringen die daarbij horen. Hij is dé expert op het gebied van filmauteursrecht.

Die kennis gebruikt hij voor de talloze films waarvoor hij als jurist betrokken is bij het produceren, uitbrengen of in orde maken van de financiering. Nationaal maar ook internationaal.

Zijn benadering is praktisch: afkomstig uit de praktijk van het film maken, weet hij hoofd- en bijzaken te scheiden. Roland vindt oplossingen in schijnbaar uitzichtloze situaties.

Roland heeft gedoceerd aan PAO Utrecht en PAO Leiden en doceert recht aan de Hogeschool voor de Kunsten Amsterdam (Nederlandse Film & Televisieacademie) en is bestuurslid van de stichting Nature for Kids en voorzitter van de stichting Rutger Hauer Filmfactory.

Alle artikelen van Roland Wigman